
Het eerste wat ik wil zeggen is, een avontuur begint of is nooit zonder problemen. Een 2-tal weekjes geleden besloten we om met alle belgen een driestedentocht naar Potosi, Sucre en Tarija te maken.
Probleem 1: Het was al 28 januari en we mochten maar tot de 14e februari reizen. Op korte tijd regelde we de hele boel om op de nacht van donderdag naar vrijdag te vertrekken. Nadat de dagen verstreken werd het aantal mensen die mee zouden gaan ook steeds kleiner. Van de 9 mensen die zouden gaan bleven er nog maar 5 over: Marieke, Jorik, Emily, Eva en ik.
Probleem 2: De donderdag middag merkte ik dat er geen bussen ’s morgens reden maar wel ’s avonds, de laatste bus zou om half 9 zijn. Nadat we samen besloten te hadden om diezelfde dag nog te vertrekken kwam
Probleem 3: Eva mocht absoluut niet ’s nachts met de bus weg. Daardoor hebben we na een uur op en af sturen naar elkaar gezegd dat we dan maar de bus zouden nemen om half 5 wat raar maar waar wel mocht van Eva haar mama.
Potosi:
Voor naar Potosi te gaan moesten we eerst een 4-tal uur onderweg zijn naar oruro en van daaruit namen we een volgende bus naar Potosi die een 5-tal uur duurde. Aangekomen in Potosi kwamen we al onmiddellijk een vriendelijke taxichauffeur tegen die ons naar ons hostal Casona bracht. De eerste gedachte van ons allen was, gezellig. We kregen een grote slaapkamer van 10 waar al 5 andere mensen een bed ingenomen hadden. Nieuwsgierig naar wie andere mensen zouden zijn zette we onze tocht toch maar verder. Diezelfde dag gingen we nog naar een touristenbureau om vast te kunnen leggen wat we de volgende dag zouden gaan doen. Na dat te besloten te hebben, genoten we nog van een lekkere pizza en gingen slapen. Na 5 minuten in ons bed te liggen kwamen er al 3 van de onbekende mensen binnen. 3 Britse jongens met een geweldig accent die er niet al te slecht uitzagen, leuk seg.
De volgende dag werd ik al vroeg wakker door een concert van gesnurk. Eerst een van de britten boven mij zeer hard aan het snurken maar hij werd teminste opgehouden door zijn vrienden. Een beetje later begon een van de andere 2 onbekende gasten oorverdovend te snurken zodat de kerel boven mij hem ging laten stoppen door een stoot te geven aan zijn bed. Uiteindelijk moesten we dan toch opstaan want onze planning van de dag begon al vroeg. Rond half 9 moesten we klaarstaan aan het touristenbureau om naar de mijnen te gaan van Potosi. Spannend! Zeker als je bedenkt dat er geruchten rond gaan dat de mijnen op instorten staan... In een busje werden we met nog andere mensen als eerste naar een plaats gebracht waar we helemaal klaar werden gemaakt voor de mijnen. We kregen een supergrappige hemd en broek met nog wat laarzen en een helm met licht. Daarna werden we naar de mijnwerkersmarkt gebracht. Daar konden/moesten we een cadeautje kopen voor de mijnwerkers. Je kon er cocobladeren ( dit zijn kleine blaadjes waar je op moet bijten, ze zorgen ervoor dat je honger stilt en dat je niet snel moe wordt ), cocobladeren met een fles frisdrank, dinamiet, handschoenen en sigaretten kopen. Met het busje gingen we naar de grote rode berg die over heel potosi die zien was. Toen we aan de ingang van de mijn stond werd het toch wel spannend. Samen gingen we met onze gids het donker in. Eerst was het vrij koud maar hoe verder we in de mijnen gingen hoe warmer het werd en op sommige plaatsen ook stoffiger. Het werd warmer? Ja, inderdaad. Potosi is namelijk een soort van lavagebied. Wij gingen maar tot een diepte van een 40-tal meter maar voor ons was het soms al zeer moeilijk om te ademen en dan moet je bedenken dat sommige mensen daar een 15-tal uur onder zaten of soms zelfs nog iets langer. Op een moment was er zelfs een gang waar bijna iedere balk gebarsten was, ik wilde er niet teveel bij nadenken en gewoon verder wandelen. Toen we ongeveer een uurtje aan het wandelen waren kwamen we bij el Tio aan. El tio is een de god van de mijn, maar beter gezegd de duivel. Boven grond heb je God maar aangezien zij onder de grond waren zaten ze op het gebied van de duivel. Om de zoveel tijd ging er wel eens iemand naar el tio om nog eens een sigaret in zijn mond te steken of nog eens wat alcohol over hem te gieten. Dit doen ze om de duivel blij te houden zodat er geen ongelukken gebeuren. Met carnaval wordt het beeld ook versierd met vele kleuren zodat de duivel kan spelen met dit en ook weer afgeleid is zodat er niks verkeerds gebeurd. Na een paar uurtjes verder wandelen kwamen we dan toch nog wat mensen tegen. We kregen van onze gids te horen dat er soms hele gezinnen in werken. Een papa met zijn zonen, soms zelfs nog maar kinderen van 14 jaar. Wat deden wij toen we 14 waren? We speelde buiten, gingen naar school en hadden geen zorgen. Dit is absoluut niet het geval voor hen. De toekomst van die kinderen is al vastgelegd. Werken in de mijn totdat je sterft of een ongeluk hebt in de mijn. Verder in de mijn kwamen we nog andere mensen tegen van 25 jaar of van in de 50 maar die er dan wel al werkte van hun 15de. Dag en nacht wordt er in die mijn gewerkt en iedere keer als er iemand binnen gaat is het met het gedacht, ga ik er nog uit?
De mijnen waren een zeer interessante plek om te zien maar als je er bij gaat nadenken is het een vreselijke plaats. Dagelijks sterven er mensen jong en oud, de gemiddelde leeftijd van een mijnwerker is maar 30 door al die stoffen en schimmels die er zich bevinden en het is niet dat ze kunnen zeggen ik ga iets anders doen, er is niks anders om te doen in Potosi.
Na de mijnen te hebben bezorgt gingen we nog naar 'la casa de la moneda'. In dit museam zag je hoe vroeger de munten werden gemaakt. Het zilver van de mijnen werd onmiddellijk verder gebracht naar dat huis om er munten van te maken. Zelf vond ik het niet zo geweldig interessant in het begin en toen het een beetje leuker werd moesten we door om onze bus naar sucre te halen.
Voordat we vertrokken vroeg iedereen wat gaan jullie in Potosi doen? Daar is helemaal niks te zien. En als je dan vroeg of ze er al waren geweest zeiden ze nee. De bolivianen moeten echt wel eens hun land leren kennen. Potosi is een mooi, zuiver en zeer vriendelijk stadje dat zeker wel de moeite is om te bezoeken.
Surce:
Aangezien de tocht van Potosi naar Sucre maar een 3-tal uurtjes duurde kwamen we ’s avonds laat aan en gingen we onmiddellijk naar ons hostal naar onze bedjes. D e volgende dag gingen we naar de gekende markt in Bolivia, ‘Tarabuco’. Deze bevind zich op een anderhalf uurtje van Sucre en je kan er vele typische voorwerpen en kleding van Bolvia kopen. Terwijl we nog een klein stukje aan het wandelen waren zagen we opeens een auto gedecoreerd met zwart, geel

en rood en het had een Belgische nummerplaat! ‘Belgium around the world’ stond er aan de voorkant op geschreven en op het raam aan een zijkant stond Jeff en julliet. Deze namen al roepend zijn we de markt opgegaan.

Na allemaal een leuke trui en andere dingen te hebben gekocht aten we nog een lekkere maaltijd en gingen we terug naar Sucre de stad.
De volgende dag wilde we naar een kasteel gaan, juist aan de rand van de stad maar na een half uur rit kregen we te zien dat juist die dag het kasteel gesloten was. Dus van de ene kant van de stad naar de andere gingen we naar het dinosauruspark. De inkom voor de mensen van Bolivia zelf was maar 10 Bs. terwijl het voor buitenlanders 30 Bs. was. Dit is een zeer normaal concept dat buitenlanders meer moeten betalen maar 30 was ons wat teveel, dus overtuigde we de vrouw dat we een

jaar hier woonde. Na een heel gedoe mochten we dan toch binnen voor de prijs van 10 Bs. en maar goed ook want het was geen 30 waard. Heet enige wat er te zien was waren een paar dinosaurusen op ware grote en an de overkant van het park was er een muur waar je nog wat voetsporen in kon zien. Voor onze laatste dag in Sucre bezochten we nog de kerk en naderhand ‘museo de arte indígena’. In dit museum kon je de kunst van detypische kleding en tapijten zien. Diezelfde avond zaten we nog in de bus opnieuw onderweg naar potosi.
Potosi 2:
’s Avonds aangekomen in potosi gingen we vermoeid naar ons eerder hostal waar we opeens te horen kregen dat er nog maar 4 bedden in het hele gebouw vrij waren terwijl we met 5 waren. En dat te bedenken dat we duidelijk via het hostal in Sucre hadden gevraagd of er nog wel plaats was voor ons. Met 3 in 2 bedden vielen we uiteindelijk in slaap. Maar zoals ik eerder al heb gezegd, een avontuur is of begint nooit zonder problemen. De volgende dag verwachte de mensen van het hostal dat we voor 5 bedden zouden betalen terwijl er maar 4 waren. Dit accepteerde wij uiteraard niet en gingen dus in discussie met de eigenaar wat tot een serieuse ruzie leide. De man gedraagde zich zeer kinderachtig, liet ons niets uitleggen en zij uiteindelijk dat we weg moesten zonder te betalen. Wij wilde uiteraard wel betalen om verdere problemen te verkomen. Maar de man gaf echt niet toe en bleef zeer koppig en liep uiteindelijk weg. Na toch wat te betaald te hebben aan de

andere bediende gingen we naar ‘Ojo del Inca’. Dit is een meer waar vroeger een vulkaan was wat er dus voor zorgt dat het water een zalige temperatuur heeft tussen de 30° en 35°. De vroegere Inca’s namen zelfs hier hun bad al, wat erop wijst dat dit meer al heel lang bestaat. Na een paar uurtjes te genieten van het warme water gingen we dan toch maar weer door want we moesten die avond nog naar Tarija vertrekken. Terwijl we terug naar ons hostal waren aan het gaan voor onze koffers merkte we dat we allemaal wel zeer rood waren in ons geicht en schouders.
Tarija:
Wanneer we na een lange rit van Potosi naar Tarija aankwamen waren we niet goed uitgerust wat voor een paar zieke zorgde. Terwijl Eva en Marieke aan het slapen waren en Jorik en Emily ook aan het rusten waren ging ik op verkening in Tarija. Onze eerste dag ging dus zeer rustig voorbij maar de volgende dag waren we wel klaar voor een kleine wijntour. Tarija is hier in Bolivia namelijk bekend voor zijn wijn. Nadat we naar een paar wijnhuizen waren gegaan had ik nog geen klein cadeautje gekocht voor mijn ouders hier aangezien mij papa jarig was geweest terwijl ik weg was en mijn mama zaterdag jarig is.
Voor onze laatste dag in Tarija gingen we naar Coimata mat de fiets. Coimata ligt op een 14 km van de stad Tarija en daar heb je een waterval die je helemaal tot boven kunt opklimmen en waar er plekken zijn om te zwemmen.

Na een half uurtje onder aan de waterval te zijn besloten we dan ook om verder op de waterval te gaan. Na een mooi plekje te gevonden te hebben waar we konden zwemmen genoten we nog verder van onze laatste dag.
De volgende dag vertrokken we al vroeg terug naar Oruro om te hopen daar nog een volgende bus naar Cochabamba te vinden. We kwamen dan uiteindelijk de volgende dag om 5 uur ’s morgens aan.